Staatsraad advocaat-generaal neemt conclusie no. 1

21-10-2013 15:22

Woensdag 23 oktober 2013 neemt een staatsraad advocaat-generaal voor de eerste keer een conclusie in een bestuursrechtelijk geschil. Medio mei van dit jaar heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in samenwerking met de andere hoogste bestuursrechters gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een conclusie te vragen. Deze mogelijkheid wordt de hoogste bestuursrechters sinds 1 januari 2013 geboden in het kader van de bevordering van de rechtsontwikkeling en de rechtseenheid.

De  Staatsraad advocaat-generaal  is verzocht in de conclusie in te gaan op de uiteenlopende jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak, de Centrale Raad van Beroep (CRB), het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB) en de Hoge Raad met betrekking tot artikel 6 van het EVRM. In casu is aan de Staatsraad is gevraagd welke behandelingsduren de rechtscolleges voor de verschillende fasen van de procedures en voor de procedures als geheel, nog als redelijk kunnen aanmerken in het licht van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Voor de rechtscolleges is belangrijk dat zij voor de rechtspraktijk een goed en eenvoudig systeem kunnen hanteren. Met het nemen van een conclusie door de staatsraad advocaat-generaal wordt meer dan met de rechterlijke uitspraak zelf gelegenheid geboden om een rechtsvraag te plaatsen in een breder verband. De conclusie kan een bijdrage leveren aan de kwaliteit en de inzichtelijkheid van de rechtsontwikkeling door de rechter. Het gaat in de eerste plaats om zaken waarin de rechtsvraag 'college-overstijgend' is en die rechtsvraag in de rechtspraak niet eerder of niet eenduidig is beantwoord.

Het concrete geschil waarin de Staatsraad advocaat-generaal is verzocht tot het nemen van de conclusie gaat over het verzoek van een Turkse familie om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn in een vreemdelingenprocedure. De vraag die in deze procedure centraal staat is of de redelijke termijn van artikel 6 van het EVRM is overschreden. In haar uitspraak van 1 februari jl. heeft de rechtbank in Den Bosch overwogen dat in zaken als deze in beginsel een totale procedurelengte van maximaal drie jaar redelijk is te achten. Het gaat dan om zaken die uit een bezwaarschriftenprocedure en – tot op het moment van de uitspraak van de rechtbank – één rechterlijke instantie bestaan. Hierbij mag de behandeling van het bezwaar hoogstens één jaar duren en de behandeling van het beroep bij de rechtbank hoogstens twee jaar. Naar het oordeel van de rechtbank is de duur van de procedure van zes jaar in dit geval gerechtvaardigd, omdat de zaak was 'aangehouden' in afwachting van de beantwoording van zogenoemde prejudiciële vragen door het Hof van Justitie in Luxemburg. De rechtbank heeft bij de vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn de periode van bijna drie jaar die met de aanhouding was gemoeid, buiten beschouwing gelaten. Met uitzondering van deze periode, kwam zij tot de slotsom dat de redelijke termijn niet is overschreden en dus geen grond bestaat voor toekenning van schadevergoeding. Tegen de uitspraak van de rechtbank is de familie in hoger beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Volgens de familie heeft de rechtbank de periode van drie jaar ten onrechte buiten beschouwing gelaten en had zij wel recht op schadevergoeding.

De zaak is op 12 september j2013 op een rechtszitting behandeld door een zogenoemde grote kamer met vijf leden. Ook deze mogelijkheid bestaat pas sinds 1 januari van dit jaar. De grote kamer bestond uit de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak, de presidenten van de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven, een lid van de Hoge Raad dat tevens staatsraad in buitengewone dienst is en een staatsraad van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De grote kamer zal binnen enkele maanden uitspraak doen in deze zaak.