Uitspraak Hof van Justitie in Luxemburg over beoordeling seksuele gerichtheid vreemdelingen.

02-12-2014 10:47

Het Hof verduidelijkt de wijze waarop de nationale autoriteiten de

geloofwaardigheid van de homoseksuele gerichtheid van asielzoekers mogen

beoordelen

 

De richtlijnen 2004/83 en 2005/85 bevatten minimumnormen, respectievelijk, voor de

erkenning van derdelanders als vluchteling en voor de procedures voor het onderzoek van

asielaanvragen, en geven nadere invulling aan de rechten van asielzoekers.1

A, B en C, derdelanders, hebben elk in Nederland een asielaanvraag ingediend met een

beroep op hun vrees om in hun land van herkomst te worden vervolgd wegens hun

homoseksualiteit. Hun aanvragen werden door de bevoegde autoriteiten evenwel afgewezen

omdat hun seksuele gerichtheid niet was aangetoond.

 

De drie verzoekers hebben tegen die besluiten beroep ingesteld. De Raad van State,

waarbij het geding in hoger beroep aanhangig is gemaakt, vraagt zich af welke grenzen het

Unierecht eventueel stelt aan de verificatie van de seksuele gerichtheid van asielzoekers.

Die rechter meent immers dat het enkele feit dat aan de asielzoeker vragen worden gesteld,

in zekere mate afbreuk kan doen aan de door het Handvest van de grondrechten van de

Europese Unie gewaarborgde rechten.

 

In zijn arrest van heden merkt het Hof vooraf op dat de verklaringen van een asielzoeker

over diens seksuele gerichtheid slechts het uitgangspunt van de onderzoeksprocedure

vormen en dat daarvoor bevestiging nodig kan zijn.

 

De wijze waarop de bevoegde autoriteiten deze verklaringen en het tot staving van de

asielaanvragen overgelegde bewijsmateriaal beoordelen, moet echter in overeenstemming

zijn met het Unierecht en met name met de door het Handvest gewaarborgde grondrechten,

zoals het recht op eerbiediging van de menselijke waardigheid en het recht op eerbiediging

van het privéleven en van het familie- en gezinsleven.

 

Bovendien moet deze beoordeling op individuele basis plaatsvinden en moet daarin

rekening worden gehouden met de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden

van de verzoeker (waartoe factoren behoren zoals achtergrond, geslacht en leeftijd)

teneinde te bepalen of de daden waaraan hij blootgesteld is of blootgesteld zou kunnen

worden, met vervolging of ernstige schade kunnen overeenkomen.

In deze context verschaft het Hof de volgende aanwijzingen over de wijze van beoordeling

door de nationale autoriteiten.

 

1 Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van

onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale

bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (PB L 304, blz. 12) en richtlijn 2005/85/EG

van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de

toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (PB L 326, blz. 13).                                                                                           

 

BRON: Hof van Justitie van de Europese Unie

 

PERSCOMMUNIQUÉ nr. 162/14

 

EMLS

Utrecht / Haaksbergen, 2 december 2014