Uitspraak van Raad van Discipline te Den Haag over Dekenverzoek ex art. 60ab Advocatenwet. ( annotatie volgt )

04-06-2014 12:52
Beslissing d.d. 02-06-2014 inzake de klacht onder nummer  R.4499/14.85van:

Deken van de Orde van Advocaten bij de Hoge Raad der  Nederlanden

tegen

mr. x te [plaatsnaam]

Essentie

Dekenverzoek primair ex artikel 60ab Advocatenwet, subsidiair ex artikel 60b  Advocatenwet. Verzoek gebaseerd op gedragingen van verweerder tijdens een  zitting van de Raad van Discipline, voorts op de stelling dat verweerder het  advocatentuchtrecht en beslissingen van de tuchtrechter niet accepteert, dat hij  zich stelselmatig onnodig grievend in de rechtszaal en in processtukken uit en  misbruik maakt van procedures zoals het wrakingsinstrument en strafklachten  tegen de deken en (tucht)rechters. Ten aanzien van het primaire verzoek oordeelt  de raad, onder verwijzing naar HvD 27 augustus 2012, zaak 6487, dat niet is  gebleken van een dreigende schending van de door artikel 46 Advocatenwet  beschermde belangen die zodanig ernstig is dat de kwaliteit van de advocatuur  ernstig in het gedrang is. De uitlatingen, waarover de deken al eerder een  klacht heeft ingediend, worden behandeld door de tuchtrechter en daarover wordt  door de Raad van Discipline c.q. het Hof van Discipline beslist. Tot niet  accepteren van de uitspraak van de tuchtrechter kan niet geconcludeerd worden  daar er slechts een eerdere beslissing van het Hof van Discipline jegens  verweerder is.

 

De gang van zaken tijdens een zitting van de Raad van Discipline geeft geen  grond te oordelen dat een onmiddellijke schorsing in de uitoefening van de  praktijk of een voorlopige voorziening met betrekking tot de praktijkuitoefening  in de zin van artikel 60ab gerechtvaardigd is.

Ten aanzien van het subsidiaire verzoek oordeelt de raad, onder verwijzing  naar de Memorie van Toelichting bij de invoering van artikel 60b, dat van een  disfunctioneren in de zin van dat artikel geen sprake is. Primaire en  subsidiaire verzoek afgewezen.

Uitspraak

 

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Bij brief aan de Raad van Discipline van 11 april 2014, bij de raad  ontvangen op 11 april 2014 (hierna: het verzoekschrift), heeft verzoeker,  hierna: de deken, aan de raad ten aanzien van verweerder een verzoek ex artikel  60ab Advocatenwet subsidiair ex artikel 60b Advocatenwet gedaan.

1.2 Bij brief van 25 april 2014 (hierna: het verweerschrift), bij de raad  ontvangen op 29 april 2014, heeft verweerder gereageerd op het verzoek.

1.3 De raad heeft brieven van derden ontvangen, welke met instemming van  partijen aan het dossier zijn toegevoegd.

1.4 Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van de raad van 12 mei 2014,  alwaar de deken en verweerder zijn gehoord. De zitting is op verzoek van  verweerder in het openbaar gehouden. Van de behandeling is proces-verbaal  opgemaakt. De deken en verweerder hebben ieder een pleitnota overgelegd.

 

2 FEITEN

2.1 Voor de beoordeling van het verzoek wordt, gelet op de stukken en op  hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende vaststaande feiten  uitgegaan.

2.2 Op 15 augustus 2013 heeft de deken ambtshalve een klacht tegen verweerder  ingediend bij deze raad. Daaraan ging - voor zover thans van belang - het  volgende vooraf.

2.3 Bij brief van 1 februari 2013 heeft verweerder zich gewend tot de  president van de rechtbank Oost Brabant nadat de wrakingskamer van die rechtbank  een wrakingsverzoek, dat door verweerder tegen de strafkamer van de rechtbank  was ingediend, had afgewezen. De president van de rechtbank Oost Brabant had  aanleiding gezien die brief ter kennis van de deken te brengen en zij had  daarbij als haar opvatting te kennen gegeven dat zij de inhoud als een blijk van  onvoldoende respect voor de rechterlijke macht beschouwt.

2.4 De deken heeft verweerder vervolgens bij brief van 18 maart 2013  uitgenodigd voor een gesprek hierover. Verweerder heeft een gesprek met de deken  geweigerd, zich beroepend op de grondwettelijke vrijheid van meningsuiting.  Nadat de deken verweerder andermaal met klem had uitgenodigd voor een gesprek en  bovendien te kennen had gegeven, dat hij, indien verweerder in zijn weigering  zou volharden, tuchtrechtelijke maatregelen zou moeten overwegen, heeft  verweerder op 22 april 2013 bij de hoofdofficier van justitie te Den Haag  aangifte gedaan tegen de deken ter zake van poging tot ambtsmisbruik. De  officier van justitie heeft besloten niet tot vervolging over te gaan.  Verweerder heeft naar aanleiding daarvan een verzoek ex artikel 12  Strafvordering bij het Gerechtshof 's-Gravenhage ingediend.

2.5 Bij dagvaarding van 6 mei 2013 heeft verweerder de deken in kort geding  betrokken en gevorderd - kort gezegd - hem te verbieden in het kader van het  advocatentuchtrecht nadere stappen tegen verweerder te nemen. Die vordering is  bij vonnis in kort geding van 14 juni 2013 afgewezen. Verweerder heeft hoger  beroep ingesteld.

2.6 De deken heeft vervolgens op 15 augustus 2013 de door hem in het  vooruitzicht gestelde klacht tegen verweerder ingediend. Bij de mondelinge  behandeling op 18 november 2013 heeft verweerder de leden van de raad van  discipline gewraakt. Bij beslissing van wrakingskamer van de raad van discipline  van 16 december 2013 werd het wrakingsverzoek afgewezen. Verweerder heeft  vervolgens op 6 januari 2014 een strafklacht ingediend tegen de leden van de  wrakingskamer ter zake van valsheid in geschrift. De officier van justitie heeft  besloten niet tot vervolging over te gaan. Verweerder heeft een procedure ex  artikel 12 wetboek van strafvordering ingesteld.

2.7 Op 17 maart 2014 werd de behandeling van de dekenklacht voortgezet.  Tijdens die zitting heeft verweerder de leden van de kamer (opnieuw) gewraakt.  De raad heeft het verzoek wegens misbruik van recht buiten behandeling gesteld.  Verweerder heeft de zitting ten slotte voortijdig verlaten.

3. VERZOEK

3.1 Het verzoek strekt primair tot schorsing voor onbepaalde tijd van  verweerder in de uitoefening van zijn praktijk, bij voorkeur met onmiddellijke  ingang, op grond van artikel 60ab Advocatenwet. Subsidiair strekt het verzoek  tot schorsing van verweerder voor onbepaalde tijd in zijn praktijkuitoefening op  grond van artikel 60b Advocatenwet.

3.2 In het verzoek heeft de deken verwezen naar het proces-verbaal van de  zitting van 17 maart 2014 en gesteld dat verweerder zich tijdens die zitting  heeft gedragen op een wijze die op geen enkele manier in overeenstemming is met  hetgeen van een behoorlijk handelend advocaat mag worden verwacht. Daarnaast  heeft de deken uit eigen waarneming het gedrag van verweerder beschreven. Onder  meer stelt hij dat gedurende de discussie die zich ter zitting ontspon  verweerder allengs kwader werd: “Binnen enkele ogenblikken was hij ziedend van  woede, met zijn vinger wijzend en tierend richting de voorzitter van de raad van  discipline, op een wijze die in de rechtszaal zelden gezien wordt. En dat zonder  enige aanleiding. Zijn houding was op de rand van bedreigend. Ik denk dat alle  aanwezigen er rekening mee hielden dat (verweerder) op ieder moment iemand kon  aanvliegen, zo boos was hij. Toen de voorzitter hem liet blijken dat er niet  gediscussieerd zou worden over de beslissing van de wrakingskamer, pakte hij  zijn stukken en maakte aanstalten om te vertrekken, maar niet dan nadat hij riep  de raad van discipline wederom te wraken. De voorzitter, die steeds rustig was  gebleven, zei dat hij er rekening mee moest houden dat de behandeling toch  verder zou gaan. Dat kon hem, zo zei hij, nog steeds in staat van grote woede,  niet schelen. Ik vroeg hem even te blijven, omdat ik het gebeurde in het  proces-verbaal wilde laten opnemen en hem de gelegenheid wilde geven hier bij te  zijn om eventuele onjuistheden te corrigeren. Toen ik mij tot de griffier  richtte en daarmee begon, beende hij weg, een wegwerpgebaar over zijn schouder  ons toewerpend. In het proces-verbaal heb ik mijn waarnemingen laten  opnemen."

3.3 Aan het verzoek heeft de deken – zakelijk samengevat – het volgende ten  grondslag gelegd.  

De deken heeft aanleiding te veronderstellen dat verweerder handelt op een  wijze waardoor een door artikel 46 Advocatenwet beschermd belang dreigt te  worden geschaad en al geschaad is. Verweerders handelwijze geeft er blijk van  dat hij niet in staat is zijn praktijk naar behoren uit te oefenen.  

De deken is van mening dat uit de door hem gestelde feiten en de gang van  zaken ter zitting van de raad van 17 maart 2014 blijkt dat verweerder handelt in  strijd met artikel 46 Advocatenwet, dat zijn optreden zoals ter zitting van 17  maart 2014 in strijd is met de eed of belofte die hij bij zijn beëdiging als  advocaat heeft afgelegd en dat hij kortom handelt zoals een advocaat niet  betaamt. Het optreden van verweerder in woord en geschrift getuigt voorts van  een zodanige emotionele betrokkenheid en gebrek aan professionaliteit, dat een  goede behartiging van de belangen van zijn cliënten naar het oordeel van de  deken niet gewaarborgd is.

3.4 Ter zitting heeft de deken de gronden voor het schorsingsverzoek  (samengevat) als volgt toegelicht.  

Verweerder accepteert het advocatentuchtrecht niet; verweerder accepteert de  beslissingen van de (tucht)rechter niet; verweerder uit zich stelselmatig  onnodig grievend in de rechtszaal en in processtukken, waarmee hij het gezag van  de rechterlijke macht en andere spelers in het juridische veld ondermijnt;  verweerder maakt misbruik van het wrakingsinstrument; verweerder frustreert  (tucht)rechtelijke procedures door te wraken en strafklachten in te dienen tegen  de deken en de tuchtrechters, hetgeen disproportionele maatregelen in een  situatie zoals deze zijn; verweerder wordt allengs bozer, met als dieptepunt een  ernstige misdraging ter zitting van 17 maart 2014; verweerder ziet, gelet op het  verweer, het onjuiste van zijn handelen niet in, reden waarom voor herhaling  moet worden gevreesd; verweerder geeft er blijk van – door te handelen zoals hij  doet – dat hij zich niet voldoende onafhankelijk en professioneel kan opstellen  als advocaat waardoor de belangen van zijn cliënten niet voldoende kunnen worden  gewaarborgd.

 

4 VERWEER

4.1 Verweerder heeft het verzoek in een 18 bladzijden tellend verweerschrift  gemotiveerd weersproken en aan het slot daarvan zijn verweer aldus  samengevat:

a. de deken stelt ten onrechte dat verweerder zich opzettelijk stelselmatig  onttrekt aan het toezicht. Verweerder aanvaardt uitsluitend geen toezicht op  zijn meningsuiting, omdat daarvoor de wettelijke basis zoals bedoeld in art. 7  Grondwet ontbreekt;

b.  de deken verwijt verweerder in strijd met de strekking van artikel 17  Grondwet dat hij gebruikmaakt van de legale middelen die iedere burger ter  beschikking staan om de eigen belangen te verdedigen;

c. de deken gaat voorbij aan het gegeven dat verweerder zich ter zitting van  17 maart 2014 geconfronteerd zag met een kamer van de raad die opzettelijk  inging tegen de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering inzake de  behandeling van wrakingsverzoeken en die dreigde verweerder te beroven van de  enige mogelijkheid die een justitiabele heeft om te voorkomen dat een tegen hem  gerichte zaak wordt behandeld door een vooringenomen rechtscollege;

d. de deken baseert zich op een schildering van de gang van zaken ter zitting  die niet in overeenstemming is met de werkelijkheid, gelet alleen al op het  gegeven dat de voorzitter op geen enkel moment heeft gewaarschuwd met een tegen  verweerder gerichte ordemaatregel, maar integendeel heeft gepoogd verweerder te  bewegen de zitting te blijven bijwonen;

e. de deken gaat er aan voorbij dat er nooit een cliënt is geweest die een  klacht tegen verweerder heeft ingediend;

f. de deken beroept zich op rechterlijke uitspraken waarvan hij de portee  helemaal niet kent, en die voor een deel zijn gevolgd in zaken waaraan ook  andere advocaten hebben meegewerkt, onderscheidenlijk waaraan ook andere  advocaten hun steun hebben gegeven, evenals andere juristen, waaronder  hoogleraren en universitaire docenten;

g. de deken suggereert ten onrechte dat verweerder niet integer zou  handelen;

h. de deken stelt feiten die niet of niet geheel juist zijn.

4.2. Waar nodig wordt hierna verder ingegaan op het verzoek en het  verweer.

 

5 BEOORDELING

Primair verzoek ex artikel 60ab Advocatenwet

5.1 Op grond van artikel 60ab Advocatenwet kan de raad, op verzoek van de  deken, de advocaat jegens wie een ernstig vermoeden is gerezen van een handelen  of nalaten waardoor enig door artikel 46 Advocatenwet beschermd belang zeer  ernstig is geschaad of dreigt te worden geschaad met onmiddellijke ingang  schorsen in de uitoefening van de praktijk, dan wel een voorlopige voorziening  treffen met betrekking tot de praktijkuitoefening van die advocaat, indien het  door artikel 46 beschermde belang dit vergt.

Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Discipline (HvD 27 augustus 2012,  zaak 6487, ECLI: NL: TAHVD 2012: YA3358) moet het daarbij gaan om gevallen  waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig of in de kwaliteit van de  advocatuur ernstig in het gedrang is. Daarbij valt te denken aan de situatie dat  een advocaat banden onderhoudt met criminele organisaties of misbruik maakt van  wettelijke privileges. De (dreigende) schending van de door artikel 46  beschermde belangen moet bovendien zodanig zijn dat deze onmiddellijk ingrijpen  vergt. Aan de hand van deze maatstaf zal het primaire verzoek worden  beoordeeld.

5.2 In de kern heeft het verzoek betrekking op de wijze waarop verweerder als  advocaat de belangen van zijn cliënten behartigt. Het verzoek verwijst naar  grievende dan wel respectloze uitingen van verweerder jegens rechterlijke  autoriteiten en anderen en naar het gebruik van wettelijke rechtsmiddelen zoals  het middel van wraking, het doen van strafrechtelijke aangifte en het voeren van  een kort geding (tegen de deken).

5.3 Ter zitting heeft de deken tevens verwezen naar de wijze van opereren van  verweerder sedert zijn beëdiging in 2004 tot en met 2011, waaronder dat  verweerder regelmatig wrakingsverzoeken indiende met de "kennelijke bedoeling de  strafrechter koste wat kost te gebruiken als forum voor het publiekelijk aan de  orde stellen van "massamoord van genocidale omvang (…)", zich op het standpunt  stelde, dat de minister-president en enkele ministers achter de tralies zouden  moeten, op 3 juni 2010 door de parketpolitie uit de rechtszaal werd verwijderd  omdat hij de voorzitter had geschoffeerd en beledigd, de rechterlijke macht  beticht van "extreem misdadige rechtspraak" et cetera.

5.4 De raad is van oordeel dat feiten of omstandigheden uit een wat verder  verleden een verzoek als hier aan de orde is, niet kunnen dragen.  In de aard  van de verlangde voorziening ligt immers het vereiste van een spoedeisend belang  besloten.

5.5 Ten aanzien van uitingen van verweerder jegens anderen zoals rechterlijke  autoriteiten, vallen in de onderbouwing van het verzoek twee aspecten te  onderscheiden. 

5.6 Het eerste aspect betreft de brief van verweerder van 1 februari 2013 aan  de president van de rechtbank Oost Brabant. Deze brief heeft de deken, nadat hij  daarvan door de betrokken president op de hoogte was gesteld, aanleiding gegeven  verweerder uit te nodigen voor een gesprek. Verweerder heeft aan dat verzoek om  – kort gezegd – principiële redenen geen gevolg gegeven. Hierna heeft de deken  een dekenklacht bij de raad ingediend, die, behalve op de uitlatingen in  verweerders brief van 1 februari 2013 ook gegrond was op het verwijt dat  verweerder, door geen gehoor te geven aan zijn uitnodiging om over de melding  van de president van de rechtbank Oost Brabant in overleg te treden, heeft  gehandeld in strijd met gedragsregel 37. De raad zal over die klacht in een  andere samenstelling nog oordelen. Langs die weg legt verweerder tuchtrechtelijk  verantwoording af van zijn gedraging(en). Indien die klacht gegrond wordt  bevonden en verweerder een maatregel wordt opgelegd, zal hem de weg van hoger  beroep openstaan.

De door de deken gewraakte gedragingen worden aldus door de tuchtrechter  beoordeeld, die, in geval van gegrond verklaring, een van de in artikel 48 lid 2  Advocatenwet genoemde sancties kan opleggen (enkele waarschuwing, berisping,  schorsing voor de duur van ten hoogste één jaar, schrapping van het tableau). De  raad is niet van oordeel dat de beschreven gang van zaken daarnaast nog een  spoedeisende maatregel van schorsing vereist.

5.7 De deken heeft gewezen op een eerdere tuchtrechtelijke veroordeling  jegens verweerder in een vergelijkbare zaak, te weten de beslissing van het Hof  van Discipline van 16 december 2011 (zaaknummer 5379), waarbij in hoger beroep  de klacht gegrond is verklaard en aan verweerder de maatregel van enkele  waarschuwing is opgelegd. De deken heeft betoogd dat daaruit blijkt, dat  verweerder beslissingen van de tuchtrechter niet accepteert. De Raad is van  oordeel, dat een dergelijke vergaande conclusie uit deze ene veroordeling niet  kan worden getrokken.

5.8 Het tweede aspect betreft de gang van zaken tijdens de zitting van de  raad van 17 maart 2014. In dit verband heeft de deken enerzijds verwezen naar  het proces-verbaal van de zitting en anderzijds eigen observaties aan de raad  voorgehouden. 

5.9 Verweerder heeft de inhoud van het proces-verbaal als zodanig niet  betwist. Wel heeft hij de door de deken geschetste gang van zaken betwist,  waarbij hij er in het bijzonder op heeft gewezen dat de voorzitter geen  ordemaatregel heeft genomen en getracht heeft verweerder te bewegen de zaal niet  te verlaten. 

5.10 Dat de voorzitter geen ordemaatregel heeft genomen en getracht heeft  verweerder te bewegen de zaal niet te verlaten, betekent nog niet, dat de  weergave door de deken niet overeenstemt met de feitelijke gang van zaken. Hoe  dan ook blijkt uit het  proces-verbaal dat de zitting van 17 maart 2014 een  emotioneel verloop had. Ook indien het relaas van de deken feitelijk juist is,  is dat echter op zichzelf bezien, maar ook tegen de achtergrond van hetgeen  hiervoor is overwogen, onvoldoende om aan te nemen dat enig door artikel 46  Advocatenwet beschermd belang zodanig ernstig dreigt te worden geschaad dat  onmiddellijke schorsing geboden is.

5.11 De raad begrijpt voorts, dat de deken, met zijn klacht dat verweerder  misbruik maakt van privileges, doelt op het veelvuldig aanwenden door verweerder  van het wrakingsmiddel, het voeren van korte gedingen en het indienen van  strafklachten. Dat zijn echter kennelijk niet de privileges waar het Hof van  Discipline op doelde in zijn uitspraak van 27 augustus 2012 ( zie hiervoor onder  5.1). De raad gaat er van uit dat het daar gaat om privileges die zijn  voorbehouden aan de advocaat als zodanig, zoals de waarborg van  vertrouwelijkheid in de communicatie met de cliënt. Dat klager in die zin  misbruik heeft gemaakt van aan hem als advocaat toekomende privileges is de raad  niet gebleken.

5.12 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat niet is gebleken van handelen of  nalaten van verweerder dat een onmiddellijk schorsen in de uitoefening van de  praktijk dan wel een voorlopige voorziening met betrekking tot de  praktijkuitoefening in de zin van artikel 60ab Advocatenwet rechtvaardigt.

Het primaire verzoek zal worden afgewezen.

Subsidiair verzoek ex artikel 60b Advocatenwet

5.13 Op grond van artikel 60b Advocatenwet kan de raad van discipline, op  verzoek van de deken, een advocaat die tijdelijk of blijvend geen blijk geeft  zijn praktijk behoorlijk uit te kunnen oefenen, voor onbepaalde tijd in de  uitoefening van de praktijk schorsen dan wel één of meer voorzieningen met  betrekking tot de praktijkuitoefening van die advocaat treffen, die de raad  geboden acht.

5.14 In de kern heeft de deken aan het subsidiaire verzoek de feiten en  omstandigheden ten grondslag gelegd, die ook aan het primaire verzoek ten  grondslag liggen. De deken stelt immers dat de feiten en omstandigheden die hij  heeft geschetst naar zijn oordeel ook meebrengen dat verweerder zijn praktijk  niet behoorlijk uitoefent, daar het gaat om onacceptabel en onbeheerst gedrag,  waarbij verweerder zich kennelijk niet bewust is van zijn verantwoordelijkheden  als advocaat. Aan het optreden van verweerder op deze wijze dient, aldus de  deken, een halt te worden toegeroepen, op zo kort mogelijke termijn.

5.15 Volgens de memorie van toelichting bij de invoering van artikel 60b  Advocatenwet (Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 26940, no. 3) is met de  invoering van artikel 60b beoogd om adequaat handelen mogelijk te maken bij een  onbehoorlijke praktijkuitoefening door een advocaat, wanneer de betreffende  advocatenpraktijk structureel disfunctioneert of zodanig disfunctioneert dat de  rechtshulpverlening aan veel cliënten in het gedrang is.

5.16 Bij het disfunctioneren waarop artikel 60b ziet moet worden gedacht aan  de onbekwaamheid om een praktijk behoorlijk te voeren, het verwaarlozen van  cliënten, verslaving, ziekte et cetera waardoor een ingrijpen op korte termijn  nodig is. Dat is wat anders dan het gedrag dat aan het onderhavige  schorsingsverzoek ten grondslag is gelegd. Immers is, wat er ook zij van het  gedrag van verweerder, niet is komen vast te staan dat de advocatenpraktijk  zodanig disfunctioneert dat de rechtshulpverlening aan veel cliënten in het  gedrang is. Daar komt bij dat verweerder onbetwist heeft aangevoerd dat nog  nooit een cliënt een klacht tegen hem heeft ingediend.

5.17 Dat sluit weliswaar niet uit, dat het gedrag van verweerder  tuchtrechtelijk verwijtbaar zal worden geacht, maar van feiten of omstandigheden  die toewijzing van het subsidiaire verzoek rechtvaardigen is de raad niet  gebleken.

5.18 Het voorgaande brengt mee dat het subsidiaire verzoek zal worden  afgewezen.

 

6. BESLISSING

De Raad van Discipline in het ressort ‘s-Gravenhage:

- wijst het primaire verzoek af;

- wijst het subsidiaire verzoek af.

 

Aldus gewezen door mr. P.H. Veling, voorzitter, mrs. T. Hordijk, J.A. van  Keulen, J.H.M. Nijhuis en C.A. de Weerdt, leden, bijgestaan door mr. P. Rijpstra  als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 2 juni 2014.

griffier voorzitter