EU-Hof van Justitie te Luxemburg oordeelt dat polis begrijpelijk moet zijn en geeft daarbij uitleg over regels voor informatieplicht over "woekerpolissen".

29-04-2015 13:17

Nederlandse rechters zijn nu aan zet !

 

PERSCOMMUNIQUÉ nr. 45/15

Hof van Justitie van de Europese Unie Luxemburg, 29 april 2015

 

Arrest in zaak C-51/13

Nationale-Nederlanden Levensverzekering Mij NV / Hubertus

Wilhelmus van Leeuwen

 

De lidstaten kunnen levensverzekeringsmaatschappijen verplichten, de cliënt

ook andere dan de in de richtlijn opgesomde informatie te verstrekken.

 

De derde levensrichtlijn (1) beoogt inzonderheid de minimumvoorschriften te coördineren opdat de consument duidelijke en nauwkeurige informatie ontvangt over de wezenlijke kenmerken van de hem aangeboden verzekeringsproducten.

 

In 1999 heeft de heer Van Leeuwen bij Nationale-Nederlanden Levensverzekering Mij NV

(NN) een verzekeringsovereenkomst met een beleggingsonderdeel gesloten, aangeduid als

„flexibel verzekerd beleggen”. Het betrof hier een levensverzekering waarbij de

waarde-opbouw op de einddatum van de verzekering afhangt van de ontwikkeling van de

beleggingen. Voorts wordt gedurende de looptijd van de verzekeringsovereenkomst een

vast gegarandeerd kapitaal verzekerd dat wordt uitgekeerd indien de verzekeringnemer vóór

de einddatum van de overeenkomst komt te overlijden.

 

Na het sluiten van de verzekeringsovereenkomst is tussen NN en Van Leeuwen onenigheid

ontstaan over de hoogte van de kosten en van de premies voor de overlijdensrisicodekking.

In het verlengde van dit geschil bestaat tussen partijen verschil van mening over de vraag of

NN voorafgaand aan het sluiten van de verzekeringsovereenkomst voldoende informatie

heeft verschaft over deze kosten. Meer in het bijzonder is aan de orde dat aan Van Leeuwen

geen volledig overzicht van of inzicht in de concrete en/of absolute kosten en risicopremies

en de opbouw daarvan is verstrekt.

 

De Rechtbank Rotterdam, waar de zaak aanhangig is, is van oordeel dat het bij die

gegevens weliswaar niet gaat om informatie die de verzekeringsmaatschappij op grond van

de richtlijn aan de verzekeringnemer dient te verstrekken, maar dat NN, door mededeling

van die gegevens achterwege te laten, heeft gehandeld in strijd met „open en/of

ongeschreven regels” van Nederlands recht, zoals de zorgplicht van de verzekeraar, de

precontractuele goede trouw en de redelijkheid en billijkheid. De verwijzende rechter heeft

besloten, op dit punt vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie. Hij wenst in hoofdzaak

te vernemen of de bepalingen van de levensrichtlijn zich ertegen verzetten dat een

verzekeringsmaatschappij op grond van algemene beginselen van Nederlands recht, zoals

de „open en/of ongeschreven regels”, aan de verzekeringnemer aanvullende informatie dient

te verstrekken naast de informatie die de richtlijn opsomt.

_____________________________________________________________________________________________

(1) Richtlijn 92/96/EEG van de Raad van 10 november 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke

bepalingen betreffende het directe levensverzekeringsbedrijf en tot wijziging van de richtlijnen 79/267/EEG en

90/619/EEG (derde levensrichtlijn) (PB L 360, blz. 1). De derde levensrichtlijn is ingetrokken en vervangen door

richtlijn 2002/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende

levensverzekering (PB L 345, blz. 1), die vervolgens zelf met ingang van 1 november 2012 is ingetrokken en

vervangen door richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009

betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PB L 335, blz. 1). Gelet op de datum waarop de in het hoofdgeding aan de orde zijnde

levensverzekeringsovereenkomst werd gesloten, blijven de bepalingen van de derde levensrichtlijn evenwel

relevant voor de beslechting van dit geschil.

______________________________________________________________________________________________

In zijn arrest van vandaag brengt het Hof allereerst in herinnering dat volgens de

bewoordingen van de betrokken bepaling van de richtlijn (art. 31) bijlage II bij deze laatste en deconsiderans ervan de aanvullende informatie waarvan de lidstaten mogen verlangen dat de

verzekeraar ze verstrekt, duidelijk en nauwkeurig moet zijn en nodig dient te zijn voor een

goed begrip van de wezenlijke bestanddelen van de aan de verzekeringnemer aangeboden

verzekeringsproducten.

 

De verstrekking van aanvullende informatie kan dus slechts verplicht worden gesteld voor

zover zij noodzakelijk is ter bereiking van het doel, de verzekeringnemer van informatie te

voorzien, en voor zover de vereiste informatie voldoende duidelijk en nauwkeurig is om dat

doel te bereiken en dus onder meer de verzekeraar een voldoende niveau van

rechtszekerheid te waarborgen.

 

In dit verband beklemtoont het Hof dat de lidstaten de verzekeraar niet hoeven te

verplichten, aanvullende informatie te verstrekken. Het betreft hier een mogelijkheid waar de

lidstaten al dan niet gebruik van kunnen maken. Het Hof merkt daarbij echter op dat de

lidstaat weliswaar de toepassingsvoorschriften betreffende de verplichting tot verstrekking

van aanvullende informatie als voorzien in de nationale wetgeving vaststelt, maar dat de

richtlijn die verplichting nader invult door te preciseren dat die informatie de

verzekeringnemer in staat moet stellen, de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis

daadwerkelijk te begrijpen, en daartoe noodzakelijk moet zijn.

 

Het is derhalve aan de betrokken lidstaat, afhankelijk van de kenmerken van zijn rechtsorde

en de specifieke situatie waarvoor hij regels wenst uit te vaardigen de rechtsgrondslag van

de verplichting tot het verstrekken van aanvullende informatie te bepalen ten einde zowel

een daadwerkelijk begrip door de verzekeringnemer van de belangrijkste kenmerken van de

verzekeringsproducten die hem worden aangeboden als een toereikend niveau van

rechtszekerheid te waarborgen.

 

De rechtsgrondslag van een dergelijke mededelingsplicht, meer in het bijzonder de vraag of

die verplichting voortvloeit uit algemene beginselen van intern recht, zoals de „open en/of

ongeschreven regels”, is in beginsel irrelevant.

 

Die rechtsgrondslag moet wel overeenkomstig het beginsel van rechtszekerheid de

verzekeringsmaatschappij in staat stellen met een voldoende mate van voorspelbaarheid

vast te stellen, welke aanvullende informatie hij dient te verstrekken en de verzekeringnemer

kan verwachten. Op dit punt merkt het Hof op dat de nationale rechter bij de beoordeling

welke vereisten moeten worden gesteld met betrekking tot de voorspelbaarheid van een

dergelijke mededelingsplicht, in de beschouwing kan betrekken dat het aan de verzekeraar

is, de aard en de kenmerkende eigenschappen van de door hem aangeboden

verzekeringsproducten te bepalen, en dat deze dan ook in beginsel zou moeten kunnen

vaststellen welke kenmerkende eigenschappen van die producten rechtvaardigen dat de

verzekeringnemer aanvullende informatie moet worden verstrekt.

 

Het is hoe dan ook aan de nationale rechter om te beoordelen of de „open en/of

ongeschreven regels” aan die vereisten voldoen

_______________________________________________________________________________.

NOTA BENE: De prejudiciële verwijzing biedt de rechterlijke instanties van de lidstaten de

mogelijkheid, in het kader van een bij hen aanhangig geding aan het Hof vragen te stellen over de

uitlegging van het recht van de Unie of over de geldigheid van een handeling van de Unie. Het Hof

beslecht het nationale geding niet. De nationale rechterlijke instantie dient het geding af te doen

overeenkomstig de beslissing van het Hof. Deze beslissing bindt op dezelfde wijze de andere

nationale rechterlijke instanties die kennis dienen te nemen van een soortgelijk probleem.

________________________________________________________________________________

Tot zover het persbericht!

 

De uitspraak van het EU-Hof van Justitie is te lezen op :

https://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=164023&pageIndex=0&doclang=NL&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=356001

 

Naschrift

Levensverzekeraars kunnen worden verplicht meer informatie te verstrekken aan consumenten dan de EU-richtlijn inzake levensverzekeringen voorschrijft. Die plicht kan, zoals in Nederland, in algemene termen geformuleerd zijn. Maar de verzekeraar moet wel met een voldoende mate van voorspelbaarheid kunnen vaststellen welke aanvullende informatie hij dient te verstrekken. Dat heeft het EU-Hof geantwoord op vragen van de rechtbank Rotterdamse rechtbank in de zgn. woekerpolissenzaak.

 

Het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken gaf d.d. 29 april 2015 een nieuwbericht uit.

EU-Hof geeft uitleg over regels voor informatieplicht over "woekerpolissen".

https://www.minbuza.nl/ecer/nieuws/2015/04/eu-hof-geeft-uitleg-over-regels-voor-informatieplicht-over-%E2%80%98woekerpolissen%E2%80%99.html 

 

==============================

EMLS

 

Utrecht / Haaksbergen, 29 april 2015

==============================